Gepubliceerd op 2 januari 2007
Op 6 januari 2007 is het precies honderd jaar geleden dat Maria Montessori begint met het onderwijs dat naar haar genoemd is. Ze opent dan een kinderdagverblijf in een volkswijk van Rome. De Internationale Montessori Organisatie (IMA) herdenkt dit feit feestelijk, met overal ter wereld activiteiten om het gedachtengoed van M. te verbreiden. Alles daarover is te vinden op de website "Montessoricentenary", hieronder.
M. wordt geboren in 1870 als dochter van een welgestelde militair. Na een afgebroken ingenieursstudie kiest ze voor medicijnen en wordt in 1896 de eerste vrouwelijke arts in Italie. Haar specialisatie in psychiatrie brengt haar in aanraking met verstandelijk gehandicapte kinderen. Pedagogische zorg voor deze groep bestaat niet en samen met enkele geestverwanten gaat ze aan de slag om dat te veranderen. Een congres in Turijn over dit onderwerp heeft tot resultaat dat er in 1898 een vereniging wordt opgericht die deze zorg op zich neemt. Allereerst moet er een opleiding komen voor onderwijzers aan verstandelijk gehandicapte kinderen. In hetzelfde jaar wordt dit gerealiseerd en M. krijgt er de leiding. Wegens een conflict stapt ze na 2 jaar al op en wordt docente aan de Pedagogische Academie voor Onderwijzeressen in Rome. Ze richt zich nu op het “gewone” kind. Een aanwijsbare invloed uit de afgelopen periode is de aandacht die ze blijft houden voor de zintuiglijke ontwikkeling, die van het oog, het oor, de neus, de smaak en de tastzin. Dit acht ze belangrijk, omdat alleen via de zintuigen interactie met de omgeving mogelijk is. In 1904 volgt haar benoeming tot hoogleraar in de antropologie aan de Universiteit van Rome, een functie de ze 12 jaar lang zal uitoefenen.
Een bankdirecteur vraagt M. een bewaarschool (kinderdagverblijf) te leiden in San Lorenzo, een volkswijk in Rome. De kinderen lopen in de weg bij bouwprojecten die hij daar financiert en halen kattenkwaad uit. Toezicht van de ouders ontbreekt vaak, omdat beiden door de armoede gedwongen zijn te werken. Wellicht kan enig onderwijs ook meer beschaafde burgers van hen maken. Zo opent M. op 6 januari 1907 voor een groep van zestig kinderen tussen drie en zes jaar de Casa dei Bambini.
Bepalend voor haar methode van werken is een observatie die ze doet bij een meisje van drie jaar. Het is met grote aandacht bezig houten cilinders van verschillende afmetingen die uit een langwerpig houtblok zijn genomen, weer op de juiste plaats terug te zetten. Het toont geen vordering in vlugheid of handigheid, het is alleen een soort voortdurende handbeweging. Wat M. frappeert is de lichaamshouding van het kind, die een volledige concentratie uitdrukt. Nog nooit heeft ze een kind zo zien opgaan in haar bezigheid. De kinderen in haar omgeving storen haar niet en ze gaat zelfs door als ze met haar stoel en het materiaal op een tafel wordt gezet. Ook als men samen gaat zingen laat het meisje zich niet van haar stuk brengen. M. telt 44 herhalingen van de oefening en als ze ophoudt kijkt ze stralend om zich heen, alsof ze uit een verkwikkende slaap ontwaakt is. Zonder enige zichtbare reden is haar werk nu af.
Dit voorval is de sleutel voor het begrijpen van de Montessori-didactiek, beter: Montessori-methode. Het kind is actief bij het verkennen van z’n omgeving en z’n zelfontplooiing - het heeft een grote drang om te weten. Dit is een breuk met de negentiende-eeuwse didactiek van de luisterschool, waarbij het kind receptief is en memoriseren kernwoord. Elk kind heeft z’n eigen ontwikkelingsweg. De klassesituatie waarin allen hetzelfde moeten doen is in de ogen van M. rampzalig. Anders dan vroeger is het de taak van de onderwijzer:
- een goede omgeving te scheppen die voorzien is van materiaal waaraan het kind zich kan oefenen met alle zintuigen, geest en lichaam;
- te observeren en op de hoogte te zijn van de omgang die het kind met het materiaal heeft; hij laat het vrij en wijst niet op fouten - die controle ligt in het materiaal.
Zulk materiaal heeft M. ontwikkeld en verantwoord in haar belangrijkste boek “De Methode” dat in 1909 verschijnt. Het is gericht op motorische-, zintuiglijke- en taalontwikkeling. De volledige tekst van de Engelse vertaling is hieronder opgenomen in een link. Een voorbeeld van hoe het materiaal in de schoolsituatie gebruikt wordt is eveneens gelinkt.
De ideeën van M. vinden wereldwijd gehoor. De tijd is er rijp voor. Er zijn in het begin van de 20e eeuw meer onderwijsvernieuwers die het kind een actievere rol toebedelen dan de luisterschool van de 19e eeuw: Petersen (Jenaplanschool), Steiner (Vrije School), Parkhurst (Dalton-onderwijs), Ligthart, Boeke (Werkplaats). Samen maken ze deel uit van de Nieuwe Schoolbeweging. M. onderneemt veel buitenlandse reizen om haar methode toe te lichten, o.m. naar India, Amerika en ook Nederland. In 1914, vlak voor het uitbreken van de oorlog, bezoekt ze Den Haag en ontmoet Jan Ligthart. De laatste jaren van haar leven woont ze in Nederland, waar ze in 1950 een eredoctoraat krijgt aan de Universiteit van Amsterdam. In hetzelfde jaar wordt ze benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op 6 mei 1952 overlijdt ze en wordt ze begraven in Noordwijk.
De vele websites over M. bieden een goede gelegenheid tot eerste oriëntatie op het Montessori-onderwijs. Wie echter grondig te werk wil gaan kan niet om boeken heen. Een goede keus is dan de meest recente biografie van Marjan Schwegman: Maria Montessori, 1870-1952. Amsterdam, AUP, 1999. Verder bevinden zich in de historisch-pedagogische collectie van de UBA talloze werken - ook tijdschriftartikelen - over het onderwerp.
Bron: Webredactie UBA
|